Christelijke overdenking: nadenken over de “Johannes’ moeder Salome doet een verzoek aan de Heer”

In Matteüs 20:20-23 staat opgetekend: “Daarop kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar hem toe. Ze viel voor hem neer om hem een ​gunst​ te vragen. Hij vroeg haar: ‘Wat wilt u?’ Ze antwoordde: ‘Beloof me dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk naast u mogen zitten, de een rechts van u en de ander links.’ Maar ​Jezus​ zei hun: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de ​beker​ drinken die ik zal moeten drinken?’ ‘Ja, dat kunnen wij,’ antwoordden ze. Toen zei hij: ‘Uit mijn ​beker​ zullen jullie inderdaad drinken, maar wie er rechts en links van mij zullen zitten kan ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie mijn Vader ze heeft bestemd.’” Uit deze passage van de Schrift kunnen we opmaken dat Salome (de vrouw van Zebedeüs en de moeder van de discipelen Johannes en Jakobus) de Heer Jezus een verzoek deed, in de hoop dat haar twee zoons aan weerszijden van de Heer in de hemel zouden kunnen zitten. De Heer echter willigde haar verzoek niet in.

Waarom deed Salome zo’n verzoek aan de Heer Jezus?

Destijds wandelde de Heer Jezus langs het Meer van Galilea toen hij Jakobus en Johannes in een boot netten zag herstellen, samen met hun vader Zebedeüs. Hij riep hen, waarop zij onmiddellijk hun boot verlieten, afscheid namen van hun vader en de Heer Jezus volgden. Later kwam ook hun moeder Salome om de Heer te volgen en te dienen. Zij en enkele andere vrouwen bekommerden zich onderweg om de Heer Jezus en Zijn discipelen; ze gebruikten hun eigen geld om voor hen te zorgen. Salome geloofde dat zij gerechtigd was om de Heer een verzoek te doen, omdat zowel zijzelf als haar zoons alles hadden opgegeven om de Heer Jezus te volgen en veel hadden opgeofferd en besteed. Daarom deed Salome het verzoek dat wanneer God Zijn koninkrijk verkreeg en naar de aarde kwam, haar twee zoons aan weerszijden van de Heer konden zitten en voor eeuwig bij de Heer konden blijven. Ze meende dat de Heer haar verzoek zou moeten inwilligen.

Hoe antwoordde de Heer Jezus op Salomes verzoek?

In antwoord op Salomes verzoek sprak de Heer Jezus: “Jullie weten niet wat je vraagt …”. Uit de woorden van de Heer kunnen we opmaken dat Salomes verzoek op gespannen voet stond met de wil van de Heer. Ook al had de Heer Jezus het mensdom lief en ontfermde Hij zich over het mensdom, Hij is de Schepper en wij zijn slechts geschapen wezens, die absoluut geen recht hebben om verzoeken tot de Heer te richten. Omdat zij veel had opgeofferd en haar zoons zich veel moeite hadden getroost en zich voor de Heer hadden ingespannen, meende Salome echter dat zij het recht had om de Heer een verzoek te doen. Ze geloofde zelfs dat het niet minder dan goed en gepast was dat ze zo zou handelen. Wij menselijke wezens schieten duidelijk erg tekort in verstand.

Bestaat Salomes probleem ook in ons?

Christelijke overdenking: nadenken over de “Johannes’ moeder Salome doet een verzoek aan de Heer”

In een boek staat een passage die luidt: “In de levenservaringen van mensen, denken ze vaak bij zichzelf, ik heb mijn familie en carrière opgegeven voor God en wat heeft Hij mij gegeven? Ik moet het bij elkaar optellen en bevestigen – heb ik de laatste tijd zegeningen ontvangen? Ik heb veel gegeven in deze tijd, ik ben druk in de weer geweest en heb veel geleden – heeft God me in ruil daarvoor beloftes gegeven? Heeft Hij mijn goede daden onthouden? Wat zal mijn einde zijn? Kan ik Gods zegeningen ontvangen? … Ieder mens maakt voortdurend en regelmatig zulke berekeningen in zijn hart en hij stelt eisen aan God met daarin zijn motivaties, ambities en deals. Dat wil zeggen dat de mens in zijn hart God voortdurend uitprobeert, voortdurend plannen aangaande God bedenkt en voortdurend met God in discussie is ter wille van zijn eigen einde en probeert een verklaring van God af te dwingen, om te zien of God hem kan geven wat hij wil. Terwijl de mens God nastreeft, behandelt hij God niet als God. Hij heeft altijd geprobeerd met God zaken te doen, onophoudelijk eisen aan Hem te stellen en zelfs bij elke stap druk op Hem uit te oefenen, door te proberen Zijn hele hand te nemen als hem slechts een vinger is gegeven. Terwijl hij overeenkomsten probeert te sluiten met God, maakt de mens ook ruzie met Hem en er zijn zelfs mensen die, wanneer er beproevingen plaatsvinden of wanneer ze in bepaalde situaties verkeren, vaak zwak, passief en slap worden in hun werk en klagen over God. Vanaf het moment dat hij voor het eerst in God begon te geloven, heeft de mens God beschouwd als een hoorn des overvloeds, een Zwitsers zakmes en heeft hij zichzelf beschouwd als de grootste schuldeiser van God, alsof zegeningen en beloften van God proberen te krijgen, zijn inherente recht en verbintenis was, terwijl het Gods verantwoordelijkheid was om de mens te beschermen, te verzorgen en voor hem te voorzien. Dat is het basisbegrip van ‘geloof in God’ van allen die in God geloven en ten diepste hun begrip van het concept van het geloof in God.

Na het lezen van deze passage krijgen we een beter begrip van de reden waarom de Heer Jezus het verzoek van Salome niet honoreerde. Hij deed dat niet, omdat ze vanbinnen te veel onzuiverheden bezat. Ze liet een paar dingen achter en putte zichzelf enigszins uit in haar geloof in de Heer, en vervolgens deed zij de Heer een onredelijk verzoek: ze wilde gezegend worden, een kroon dragen en ze onderhandelde met de Heer. Hoe kon ze de Heer er geen aanleiding toe hebben gegeven om haar te verachten wanneer haar geloof in Hem zulke motieven in zich droeg? Wanneer we nadenken over onze daden en gedragingen in de afgelopen jaren en die vergelijken met deze woorden, dan ontdekken we dat we inderdaad precies hetzelfde zijn als Salome. Wanneer we voor het eerst in de Heer beginnen te geloven, dan hebben we het gevoel dat God – vanwege ons geloof in Hem – op dat moment over ons dient te waken, ons bij iedere gelegenheid moet beschermen en ons en onze families vrede en zegeningen moet schenken; we bidden dikwijls tot God met de vraag of Hij over ons wil waken, ons wil beschermen tegen ziekte en rampspoed en ervoor zorgt dat alles voor ons van een leien dakje gaat. Wanneer we gezegend zijn door God, dan voelen we ons gelukkig en verblijd, maar op het moment dat tegenspoed ons pad kruist of een zaak een verkeerde wending neemt, bidden we tot God en vragen Hem om de tegenslag weg te nemen. Wanneer God ons verzoek niet inwilligt, dan raken we vervuld van misvattingen en verwijt jegens God, verkeren we in een staat van negativisme en conflict en groeien onze harten steeds verder weg van God. Wanneer we al lange tijd in de Heer geloven, dan getroosten we ons moeite, putten we ons uit en steunen we de kerk ter wille van de Heer; we lijden en betalen een prijs om het evangelie van de Heer te verspreiden, in de overtuiging dat God ons genadig zou moeten zijn, ons zou moeten zegenen en ons een gerechtvaardigde kroon zou moeten schenken. We menen dat we in de toekomst het meest bevoegd zullen zijn om Gods koninkrijk binnen te gaan; we menen dat wanneer we eenmaal Gods koninkrijk zijn binnengegaan, ons de heerschappij over verscheidene steden zal worden gegeven, enzovoorts. We geloven altijd dat onze verwachtingen en onze verzoeken tot de Heer in orde en gepast zijn – dat er wat die dingen betreft niets op gespannen voet zou kunnen staan met Gods wil; we denken zelfs dat God onrechtvaardig is als Hij ons in de toekomst geen kroon schenkt die in overeenstemming is met alles wat we te verduren hadden. Maar denk hierover eens zorgvuldig na: God is de Schepper en wij zijn geschapen wezens. Het is normaal voor geschapen wezens dat zij zich uitputten voor de Schepper. Desondanks gebruiken we het feit dat wij ons moeite getroosten en ons uitputten voor de Heer om Hem voorwaarden te stellen, om te pronken met ons grote aantal dienstjaren en om in ruil genade en zegeningen te vragen. We behandelen God eenvoudigweg niet als God; zo verstoken zijn we van geweten en verstand. We hebben in de verste verte geen godvrezend hart. Hoe zou zo’n geloof in God Zijn lof waardig kunnen zijn?

Het juiste doel voor geschapen wezens om na te jagen

Wanneer we opnieuw naar de Schrift kijken, zien we dat de Heer Jezus Salomes ongepaste verzoek aan de kaak stelde door te zeggen: “Uit mijn ​beker​ zullen jullie inderdaad drinken, maar wie er rechts en links van mij zullen zitten kan ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie mijn Vader ze heeft bestemd.” Wat de Heer Jezus met deze woorden bedoelde, was dat wij, ongeacht hoeveel werk we verrichten, hoeveel moeite we ons getroosten en hoeveel we lijden omwille van de Heer, nog steeds geen recht hebben om God iets te verzoeken, of God te vragen om ons het een te schenken of met het ander te zegenen. Omdat ons hele wezen van God afkomstig is, is alles wat wij bezitten ons ook door God gegeven. Het is een hemelse verordening en een dwingende verplichting dat wij in God geloven en God aanbidden, een prijs betalen en ons voor God uitputten – het is de plicht die wij als geschapen wezens dienen te vervullen. Welke genade of zegeningen God ons kan schenken, dat is Gods zaak; wij hebben er geen recht op God enig verzoek te doen. Dit is het gevoel voor redelijkheid dat we zouden moeten bezitten. Het is bijvoorbeeld een hemelse verordening om onze ouders te respecteren, maar het is het recht van de ouders om te beslissen wie zij hun rijkdom en bezit nalaten wanneer zij komen te overlijden. De kinderen dienen de plaats in te nemen die hen past en hun taken en plichten te vervullen; alleen dan immers kunnen ze worden beschouwd als kinderen met een gevoel voor redelijkheid. Zoals te lezen is in een boek: “Er bestaat geen verband tussen de plicht van de mens en of hij gezegend of vervloekt is. Zijn plicht is wat de mens hoort te vervullen; het is zijn gezworen plicht en zou niet afhankelijk moeten zijn van vergoeding, voorwaarden of redenen. Dan pas is er sprake van zijn plicht vervullen. Een mens die gezegend is, geniet goedheid als hij na het oordeel vervolmaakt wordt. Een mens die vervloekt is, krijgt straf als zijn gezindheid onveranderd blijft nadat hij getuchtigd en geoordeeld is, dat wil zeggen dat hij niet vervolmaakt is. Als schepsel hoort de mens zijn plicht te vervullen, hij moet doen wat hij hoort te doen, en wat hij kan doen, of hij nu gezegend of vervloekt zal worden. Dit is de fundamentele voorwaarde voor de mens, als iemand die op zoek is naar God.

Een voorbeeld dat het waard is om te worden nagevolgd

Toen hij de Heer Jezus navolgde, vroeg de heilige Petrus geen enkele maal iets van de Heer. Hij liet alles achter en putte zich uit voor de Heer, maar hij deed dit niet om zegeningen te verwerven of te onderhandelen met de Heer. Hij deed dit daarentegen vanuit de liefde en gehoorzaamheid die hij had voor de Heer. Vele jaren volgde hij de Heer Jezus na en had hij veel te lijden, om de opdrachten van de Heer uit te voeren. Hij spande zich in en putte zichzelf uit, hij werkte en predikte; zelfs werd hij gearresteerd en opgesloten door de heersende macht Toch probeerde Petrus nooit de prijs die hij had betaald en het feit dat hij zichzelf had uitgeput, als drukmiddel te gebruiken, in de verwachting dat hij in ruil van God een of andere mooie bestemming en toekomst zou krijgen. Welke prijs hij ook betaalde en hoezeer hij zichzelf ook uitputte, nooit stelde hij eisen; hij nam daarentegen slechts de plaats in die bij hem paste als een geschapen wezen, terwijl hij ernaar streefde God lief te hebben en tevreden te stellen. Omdat hij wist dat hij een geschapen wezen was, dat hij zichzelf moest wijden aan het uitvoeren van de opdrachten van de Heer, en dat dit het was wat hij werd verondersteld te doen en wat de plicht was van een geschapen wezen, hoe zwaar de tegenspoed en vervolging die hij te lijden had ook zouden zijn, of zonder welke materiële zaken hij het ook zou moeten stellen in zijn leven – daarom was hij altijd in staat om te gehoorzamen en besloot of vroeg hij niets met het oog op zijn eigen belang. Ten slotte was hij zelfs bereid ondersteboven te worden gekruisigd en legde hij een mooi, klinkend getuigenis af. Uit dit gedrag van Petrus tijdens zijn hele leven kunnen we opmaken dat hij in zijn geloof in God geen eisen stelde met het oog op zijn eigen belang; in plaats daarvan trachtte hij God te gehoorzamen, God te vereren en God lief te hebben. Zijn levenslange streven leverde hem de lofprijzing van de Heer op; hij was iemand die God in hoge mate verblijdde.

Laten we dank zeggen aan Gods verlichting en illuminatie, die ons in staat stellen om Gods wezen en de gepaste plaats die wij als geschapen wezens moeten innemen te begrijpen, en die ons toestaan te weten dat God de Schepper is, almachtig en verheven, en dat we geschapen wezens zijn. Op welke tijd ook, ongeacht wat God doet, of God ons nu zegent of dingen van ons wegneemt: altijd kunnen we in ons hart eerbied blijven koesteren voor God, God als God behandelen, onze gepaste plaats innemen, ons onderwerpen aan al Gods orkestraties en beschikkingen. Laten we geen eisen aan God stellen, noch buitensporige verlangens koesteren, maar ons geloof in God geheel en al baseren op Zijn vorderingen aan ons; want alleen dit stemt overeen met Gods wil. Vanaf vandaag moeten we ook Petrus navolgen, de waarheid najagen en God tevreden stellen, en niet langer vragen dat God ons tevreden stelt. Dit is de enige passende houding die we als christenen kunnen aannemen in ons geloof in God; alleen met deze soort houding kunnen we Gods lofprijzing verdienen. Dank de Heer!

Lees meer: Waarom wij mensen in God moeten geloven en hoe we in hem moeten geloven om zijn goedkeuring te verkrijgen

Zie ook: Luister naar de stem van God ‘Ben jij een ware gelovige van God?’ (Lezing)

De bijbelteksten zijn ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling © 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap.

Neem contact met ons op

Welkom op onze website — Online Bijbelstudie. Als u problemen of verwarring heeft in uw geloof, neem dan gerust contact met ons op.